Waarheid/leugen


Geef elke jongere een blad en een pen en vraag hem/haar na de toelichting van de activiteit zich even a f te zonderen. De jongeren moeten op hun blad in het midden hun naam schrijven en vervolgens in elke hoek van het blad een stelling. Drie van deze stellingen moeten juist zijn. De vierde stelling moet niet waar zijn. Laat de jongeren goed nadenken over de stellingen, want het is best dat ze kwaliteiten of kenmerken van zichzelf opschrijven die nog niet gekend zijn voor de anderen. Dat maakt het immers moeilijker om te raden welke juist of fout zijn. Bijvoorbeeld: Ik kan goed koken, ik ben zorgzaam,…. Iedereen loopt nu door elkaar en spreekt de ander aan en bedenkt welke stelling bij de ander fout is. Vervolgens komt de groep terug bij elkaar en worden de stellingen voorgelezen en toegelicht. Je kan de jongeren ook steeds – door streepjes te trekken – laten bijhouden hoeveel jongeren hun foute stellingen meteen vonden.

Informatie


Wie ben ik- ik ben uniek

12-16 jaar

4-25 jongeren

30 min.

Pen en papier

Tips


Deze activiteit is maar heel kort van duur, dus het is interessant om een aantal van deze kleinere acties aan elkaar te koppelen en op die manier toch een hele namiddag te werken rond één of meerdere van de knaltips. Wissel ‘denkactiviteiten’ ook steeds a f met ‘doe-activiteiten’ om de aandacht van de jongeren erbij te houden.

Nabespreking


Laat elke jongere in 1 zin even zeggen wat hem/haar is opgevallen bij deze activiteit? De eerste die het woord neemt krijgt een balletje in handen. Bedoeling is dat iedereen in de groep de bal 1 keer toegeworpen krijgt en vervolgens zijn bevindingen meegeeft. Degene die de bal in handen heeft, is ook de enige die mag praten.

De begeleider licht ook kort knaltip ‘ik (k)en mezelf’ toe en legt de link met www.noknok.be.

Verloop


Geef elke jongere een blad en een pen en vraag hem/haar na de toelichting van de activiteit zich even af te zonderen. De jongeren moeten op hun blad in het midden hun naam schrijven en vervolgens in elke hoek van het blad een stelling. Drie van deze stellingen moeten juist zijn. De vierde stelling moet niet waar zijn. Laat de jongeren goed nadenken over de stellingen, want het is best dat ze kwaliteiten of kenmerken van zichzelf opschrijven die nog niet gekend zijn voor de anderen. Dat maakt het immers moeilijker om te raden welke juist of fout zijn. Bijvoorbeeld: Ik kan goed koken, ik ben zorgzaam,…. Iedereen loopt nu door elkaar en spreekt de ander aan en bedenkt welke stelling bij de ander fout is. Vervolgens komt de groep terug bij elkaar en worden de stellingen voorgelezen en toegelicht. Je kan de jongeren ook steeds – door streepjes te trekken – laten bijhouden hoeveel jongeren hun foute stellingen meteen vonden.