Wist je dat je je vooruitgang kan opslaan? registreer je nu!

De ik-boodschap

Mijn grenzen


Hoe zeg je het, als je niet akkoord gaat met iets? Heb je het al eens meegemaakt dat de ander niet naar je wil luisteren? Het is niet altijd makkelijk. Deze oefening wil je helpen om op een rustige manier uit te leggen wat je denkt of voelt. Dat noemen we een IK-boodschap.

Een voorbeeld van een goede ik-boodschap:

Marie, ik zou je graag iets vertellen.
Ik voel me ongemakkelijk als jij mijn kamer zomaar binnenkomt zonder kloppen,
omdat ik dan plots schrik als ik bezig ben met iets.
Ik zou het fijn vinden als je eerst even klopt.

Volg de stappen hieronder om zelf een goeie ik-boodschap te formuleren. Je kan zelf een situatie verzinnen, of kijken onder de voorbeeldsituaties om van te vertrekken.

  • Als je wil praten met iemand, noem dan de naam van die persoon. Wil je met Marie praten, zeg dan ‘Marie, ik zou je graag iets vertellen.’
  • Begin je boodschap met IK. Jij wil iets tegen de ander vertellen. Op die manier maak je duidelijk dat jij met iets zit, wat je aan de andere kwijt wilt.
  • Zeg wat je gevoel is. Bijvoorbeeld: ‘Ik voel me ongemakkelijk ’. Op die manier komt de andere te weten wat jouw gevoelens zijn.
  • Omschrijf wat je niet zo leuk vindt aan hetgeen de andere persoon doet. Bijvoorbeeld ‘als jij mijn kamer zomaar binnenkomt zonder kloppen…’. Onthoud wel dat je enkel iets zegt over zijn of haar gedrag. Niet over zijn of haar persoon!
  • Geef de reden waarom je dat vindt. Zeg waarom je het niet leuk vindt wat de ander doet. Bijvoorbeeld ‘… omdat ik dan plots verschiet als ik bezig ben met iets’.
  • Geef een voorstel dat de andere persoon kan doen. Zeg hoe hij of zij het anders kan aanpakken. Bijvoorbeeld ‘Ik zou het fijn vinden als je even klopt.’

Wat is er gebeurd?

Bedenk een moeilijke situatie die je zelf mee maakte of kies een situatie uit de voorbeelden. Schrijf ze hieronder op.

Inspiratie
Situaties
Jouw zus neemt regelmatig kleren uit jouw kast. Ze vraagt dit niet op voorhand. Eigenlijk vind je het helemaal niet leuk dat ze jouw kleren draagt. Jij neemt toch ook haar spullen niet? Een vriend nodigt je uit om mee te gaan naar de stad samen met andere vrienden van hem uit de voetbalclub. Je gaat mee, maar eenmaal in de stad ziet hij jou precies niet meer staan. Hij heeft veel plezier met anderen. Daar loop je dan, tussen allemaal mensen die je niet kent. Achteraf wil je toch nog zeggen tegen je vriend dat je dit echt niet tof vond. Je bent gisterenavond je rugzak op zijn plaats vergeten zetten. Je mama heeft hem opgeruimd, maar je kunt hem ’s morgens niet vinden terwijl je dringend naar school moet vertrekken. Een klasgenootje vindt jou helemaal geweldig en doet je daarom soms na. Gisteren vertelde je hem nog een grappig verhaal en vanmorgen hoorde je het hem vertellen aan een andere groep klasgenoten. Je vindt dit echt niet fijn. Je bent een schooltaak vergeten maken en de leerkracht geeft je een lange preek voor heel de klas. Je begrijpt dat het jouw fout is dat je je taak vergeten bent en neemt hier verantwoordelijkheid voor. Maar je voelt je een beetje belachelijk gemaakt voor de hele klas. Je spreekt met een groepje uit je klas af om na school nog wat rond te hangen. Het nieuwe meisje van de klas laat vallen dat ze ook graag meekomt. De anderen gaan hier niet op in en vragen haar ook niet mee. Jij voelt je hier niet goed bij. Met een groepje vriendinnen hebben jullie afgesproken om ’s middags alle lunch te delen. Eén vriendin brengt bijna nooit iets mee, maar zij eet wel het meest. Je vindt het niet zo netjes van haar dat zij nooit iets deelt. Je ouders worden kwaad op je omdat je niets meer voor school hebt gedaan. Ze weten niet dat je tijdens een uur studie op school al je taken al hebt gemaakt. Je begrijpt hun bezorgdheid, maar soms lijkt het alsof ze je niet vertrouwen. Iemand van je klas is heel enthousiast over een gezelschapsspel dat jij thuis hebt. Je leent het uit maar krijgt het beschadigd terug. Het is de avond voor een belangrijk examen. Je hebt echt goed gestudeerd en bent eindelijk klaar. Je wilt je gedachten nog even verzetten. Je ouders blijven maar vragen of wel zal lukken morgen. Ze zijn bezorgd.

Wat is de naam van de persoon die je wil spreken?

Als je wil praten met iemand, noem dan de naam van die persoon. Begin je boodschap met IK. Jij wil iets tegen de ander vertellen. Op die manier maak je duidelijk dat jij met iets zit, wat je aan de andere kwijt wilt.

Wil je met Marie praten, zeg dan ‘Marie, ik zou je graag iets vertellen.’


Wat zijn je gevoelens bij hetgeen gebeurd is?

Zeg wat je gevoel is. Omschrijf wat je niet zo leuk vindt aan hetgeen de andere persoon doet. Bijvoorbeeld: ‘Ik voel me ongemakkelijk …’. Op die manier komt de andere te weten wat jouw gevoelens zijn.


Welk gedrag van de andere persoon vind je niet goed?

Zeg welk gedrag van de andere je stoort. Vertel tegen de ander wat hij of zij doet, dat jou niet aanstaat. Bijvoorbeeld ‘… als jij mijn kamer zomaar binnenkomt zonder kloppen …’. Onthoud wel dat je enkel iets zegt over zijn of haar gedrag. Niet over zijn of haar persoon!


Wat is de reden waarom je dit niet leuk vindt?

Geef de reden waarom je dat vindt. Zeg waarom je het niet leuk vindt wat de ander doet. Bijvoorbeeld ‘… omdat ik dan plots schrik als ik bezig ben met iets’.


Hoe kan het anders of beter in de toekomst?

Geef een voorstel dat de andere persoon kan doen. Zeg hoe hij of zij het anders kan aanpakken. Bijvoorbeeld ‘Ik zou het fijn vinden als je eerst even klopt.